20 juli 2015 | Writer: Anneke Drijver

This of that?

Regelmatig merk ik dat het niet altijd duidelijk is wanneer je nu this of that moet gebruiken. Daarom wil ik vandaag het verschil tussen deze twee aanwijzende voornaamwoorden even toelichten. ‘This’ en ‘that’ kunnen door een spreker gebruikt worden om de afstand tussen zichzelf en een voorwerp, dier of persoon aan te duiden. Het is belangrijk om te onthouden dat het hier dus niet gaat om de afstand tussen de luisteraar en het voorwerp, maar de spreker en het voorwerp.

Deze afstand tussen spreker en voorwerp is niet altijd fysiek en kan ook betrekking hebben op bijvoorbeeld tijd en emoties, dit staat verder hieronder beknopt uitgelegd. We beginnen eerst bij het begin.

Verwijzen naar personen
Als je een persoon aan iemand wilt voorstellen gebruik je ‘this is’. Als je naar iemand verwijst die verder weg staat, gebruik je ‘that is’. Maar als je opneemt aan de telefoon en wilt weten met wie je spreekt, verschilt het in het Brits en Amerikaans of je ‘this’ of ‘that’ gebruikt.

Bijvoorbeeld:
This is my boss, Mr Jackson.
That is my boss over there.
Who is that? (British)
Is this Carol from accounting? (American)

Verwijzen naar voorwerpen
Dit gaat meestal gepaard met het wijzen naar een voorwerp, of het specificeren van de plaats van het voorwerp.

Voorbeelden:
(aanwijzen) This is my new laptop.
What’s that on your desk?

Je hoeft het voorwerp niet expliciet te vermelden als het duidelijk is waar je naar (ver)wijst.
Bijvoorbeeld, als je naar een boek wijst:
Would you please lend me that (book)?
This (book) is mine.

Verder worden ‘this’ en ‘that’ ook vaak gebruikt in combinatie met ‘one’. Ook hier moet het dan duidelijk zijn welk voorwerp je bedoelt met ‘that one’ of ‘this one’. In formelere en academische contexten kun je ‘that’ ook als vervanging van ‘the one’ gebruiken om de zin formeler te maken.

Voorbeelden:
We need to finish both reports today. I’ll do this one, if you take that one.
The analytic method Jensen applied is that most often used by scientists.

Afstand in tijd
‘This’ wordt ook gebruikt om ‘afstanden’ in tijd aan te geven die dichtbij zijn. Je gebruik ‘this’ dan met woorden die aangeven dat het gaat om een (deel van een) dag, week, maand of jaar. Je verwijst dus altijd naar iets wat nu aan de gang is of op het punt staat om te beginnen, zoals ‘this day’ of ‘this week’.

Bijvoorbeeld:
Is the training this weekend, or next?
You should have finished that report this morning.

Emotionele afstand
Behalve fysieke afstanden of afstanden in tijd, kun je met ‘this’ en ‘that’ ook emotionele afstanden aangeven. Als iets emotioneel dichtbij is, oftewel als je ergens een positieve mening over hebt, gebruik je ‘this’. ‘That’ gebruik je dan oor het tegenovergestelde, dus als je ergens een negatieve blik op hebt.

Voorbeelden zijn:
It’s hard to concentrate when that dog is barking all day!
I love this new magazine we’re going to publish next year.

Als je aan iemand iets vertelt of uitlegt, dan gebruik je vaak ‘that’ in plaats van ‘the’ als je iets beschrijft wat die persoon ook kent. Als iets recentelijk gebeurd is of belangrijk is, dan gebruik je vaak ‘this’ in plaats van ‘a’ of ‘an’.

Bijvoorbeeld:
Do you remember that summer in Bali? It was so hot.
She demanded this stack of papers to be delivered as soon as possible!

Tenslotte kun je ‘that’ ook gebruiken om te verwijzen naar ideeën of dingen die gezegd of gedaan zijn:
I am thinking about postponing the deadline. Are you okay with that?
That’s a great opportunity!

Nu jij! Wanneer gebruik je this of that?
Vul in onderstaande zinnen ‘this’, ‘that’ of allebei in.
1. I don’t trust ______ business partner of yours.
2. _______ is my co-worker, Debby.
3. I need ______ green one.
4. Why would you say_______?
5. What are the financial prospects for _______ month?
6. Can I have _______ manual on the table next to you?

Vul je antwoorden hieronder in! De oplossingen volgen later…

Reacties (15)

  1. Let op, dit bericht bevat de antwoorden! Lees dus niet verder als je de opdrachten nog wilt doen.
    Vond je het moeilijk? De antwoorden zijn:
    1. that
    2. allebei (Als de spreker Debby aan iemand voorstelt gebruik je this, als Debby verder weg staat en de spreker wijst naar haar, gebruik je that)
    3. this
    4. that
    5. this
    6. that
    Good job everyone!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *