1 augustus 2014 | Writer: Anneke Drijver

I enjoy travelling of I enjoy to travel?

Is het nu ‘travelling’ of ‘to travel’ na enjoy? Weet jij het goede antwoord en wat is het verschil tussen beide zinnen? Laten we de beestjes eerst even bij hun naam noemen. De vraag is eigenlijk, krijg je een gerund of infinitief na een ander werkwoord? Met andere woorden is het I enjoy travelling of I enjoy to travel?

De gerund is het hele werkwoord +ing, dat zelfstandig wordt gebruikt. Je kunt dit in het Nederlands vergelijken met het gebruik van het werkwoord als zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld: (Het) Zwemmen vindt hij leuk. Een infinitief is het hele werkwoord: zwemmen.

Normaal gesproken is in zo’n geval (bij twee werkwoorden na elkaar) het tweede werkwoord een infinitief. I want to travel, bijvoorbeeld.

Na sommige werkwoorden krijg je echter altijd een gerund (ing vorm). Dit is een lijstje met de meest voorkomende werkwoorden waarna een gerund komt:

admit – appreciate – avoid – consider – contemplate – delay – deny – detest – dislike – endure – enjoy – escape – excuse – face – fancy – finish – forget – imagine – involve – keep – mention – mind – miss – postpone – practise – proposed – quit – resent – resist – risk – suggest – stop

Bijvoorbeeld
Well, she contemplated buying the house.
Can you face going there again?

En dan nu de hamvraag. Is het I enjoy travelling of I enjoy to travel? Dus gerund of infinitief?

Vul je antwoord hieronder in!

Reacties (2)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *